Een frustrerend boek om te lezen: een semi-functionele familie waarin weinig vertrouwen is en niemand elkaar ruimte en rust gunt, gaat tegen beter weten in op vakantie naar Noorwegen. Verrassing: alles gaat fout en iedereen wordt boos. De 15-jarige hoofdpersoon internaliseert een hoop frustratie, wanhoop en wantrouwen, én heeft een vertekend beeld van de werkelijkheid, maar de neurose die haar zelfdestructief maakt, zorgt ervoor dat ze daar níéts van communiceert. Zelfs als ze aan haarzelf eindelijk durft toe te geven dat ze hulp wilt, vindt ze dat gek en zegt ze dat niet.
Ondanks - of misschien wel dankzij - mijn frustratie kon ik het boek niet wegleggen. Een beetje uit leedvermaak, maar vooral omdat ondanks de ver-van-mijn-bed-show de personages behapbaar uit de verf komen en hun frustraties begrijpelijk zijn. De interne leefwereld van lea wordt rijkelijk en onomwonden beschreven. De hele familie is diep en diep menselijk en ze hebben allemaal hun eigen tekortkomingen waardoor er natuurlijke drama ontstaat.
Die drama zou veelal verholpen zou kunnen worden zijn als Lea iets zou durven zeggen, maar dat lukt haar niet, want ze is een helikopter. Aan het eind lukt het haar nog steeds niet, al is er wel de hoop dat het beter zal gaan. Ze kiest er dan voor om te willen verbeteren - al is dat niet echt een vrije keuze, want het alternatief is drama en de dood.
Maar: het verhaal gaat volgens mij eigenlijk niet over Lea. Het gaat over haar moeder. Haar lieve, stoere moeder die tegen beter weten in een reis naar Noorwegen plant om haar geliefde broer op te zoeken. Lea, Fos, haar man en haar ziekte zijn daarin de antagonisten, en spelen eigenlijk tweede viool in de Rhea en Erik show. De moeder is misschien wel het meest interessante personage, omdat uiteindelijk alles en iedereen overwint; het is ergens jammer dat we haar interne wereld niet te lezen krijgen.
Al met al doet het boek een beetje denken aan J. D. Salinger's Franny en Zooey; al pakt dit boek problematiek op een hele eigen manier aan (of juist niet aan). Ergens heeft het ook iets weg van een diep deprimerende A Goofy Movie. En lachen dat Totally Spies een shout-out kreeg.
A quasi-autobiographical exploration into the futility of passion and the ephemerality of commitment - Harry Mulisch's magnum opus and one of the finest pieces of Dutch literature.
The most unappealing way to describe this book would be: half-deranged intellectuals have mental breakdowns across three (and a half) conversations. It's an accurate description, however, but that's not the point. Be warned, first of all: this book is a slow burner. Like I said, there are really only three scenes in the entire book/two stories. There is a lot of description and mental deliberation that is difficult to get your head around at times. I found myself struggling - especially with the first half - re-reading passages and not really looking forward to continue reading. But I had to. The book had me by the balls. If you consider yourself an intellectual, or academic, or something, and find yourself getting frustrated with and resistant to social norms, the university system, etcetera, this book will be a mirror to you. One of those actor's mirrors where the lights are on way too bright so you can see very little imperfection and blemish on yourself. It's ugly. And that's what makes this book so great. It is a poignant reflection for all of us who over-reflect. If you dare.
An enchanting book, with believable characters and storylines, in twists you cannot predict, but should have seen coming. A wide cast of characters that you either love or love to hate intertwine fates and grapple with the cruelties of life in their own ways. Excellent read.